Meertens Instituut->DOCS

Volksverhalen
Wat is een volksverhaal?

Een volksverhaal is een vertelling die voor langere of kortere tijd mondeling tussen (groepen) mensen circuleert. Het begrip 'volksverhaal' is een overkoepelende term. Tot de volksverhalen rekenen we: de fabel, het sprookje, de sage, de legende, het raadsel, de mop, de kwispel, het exempel, het broodjeaapverhaal. In bepaalde gevallen worden ook persoonlijke verhalen (personal narratives, memorates) of familievertellingen tot het volksverhaal gerekend.

 
"Leuk, volksverhalen! Dat is toch iets van vroeger?"

Ja en nee. Er werden vroeger natuurlijk volop volksverhalen verteld, maar  tegenwoordig is het niet veel minder. De belangstelling voor de traditionele verhalen over witte wieven, weerwolven, reuzen en dwaallichten is momenteel erg aan het groeien, maar ook moderne genres als de mop en het broodjeaapverhaal bloeien in de mondelinge overlevering van vandaag. Volksverhalen zijn van alle tijden, en het onderzoek is ook voor de culturele ontwikkelingen in de moderne samenleving van belang.
Via toerisme, migratie en moderne communicatiemiddelen komen mensen uit verschillende landen en culturen bovendien steeds vaker met elkaar in aanraking, en daardoor ook met elkaars volksverhalen en folklore. Verhalen als die van Anansi en Nasreddin Hodja worden naar Nederland meegenomen door Antillianen, Surinamers en Turken. Op het internet en via email circuleren actuele moppen en wilde geruchten, moderne Photoshop- en filmgrappen en kettingbrieven (o.a. met viruswaarschuwingen). In moderne kunstuitingen in de stad en op het platteland vinden we de laatste tijd volksverhalen terug, die op hun beurt door gemeentes worden geclaimd en gebruikt ter promotie van (de identiteit van) stad of dorp en bevordering van het lokale toerisme, middels volksverhalenroutes, -attracties, -café's en sagensafari's. Op verhalenworkshops en op verteldagen worden mensen gestimuleerd om het verhaal (opnieuw) mondeling te verspreiden en aandacht te besteden aan de performance.
Naast het christendom drukken tegenwoordig ook andere geloofsrichtingen als islam, moderne hekserij, sjamanisme en new age hun stempel op de vertelcultuur. Oude verhaalthema's verschijnen, al dan niet aangepast, in moderne religieuze mondelinge uitingen, maar ze herleven ook in de moderne fantasy-cultuur via de (jeugd)literatuur, film en televisie, attracties en festiviteiten.
We kunnen dan ook met recht zeggen dat het volksverhaalonderzoek verder reikt dan de oude sagen- en sprookjesthema's en meer is dan onderzoek naar historische verhalen uit grootmoeders tijd, maar als een actueel en dynamisch onderzoeksgebied voortdurend in beweging is.

 
Waarom documentatie van volksverhalen?
Waarom is het belangrijk om volksverhalen te verzamelen en te documenteren? Volksverhalen maken deel uit van onze dagelijkse cultuur (met een kleine c) en derhalve van het immateriële erfgoed van Nederland. We raken er steeds meer van doordrongen dat het immateriële erfgoed bewaard en gekoesterd moet worden - en dit geldt niet alleen voor wetenschappers maar eveneens voor een organisatie als UNESCO. Omdat volksverhalen voor een groot deel tot de orale traditie behoren, is het erg vluchtig cultuurgoed: zo wordt het verhaal verteld, en zo is het alweer verdwenen. Om de verteltraditie te kunnen bestuderen, is het van belang dat de verhalen verzameld en vastgelegd worden: immers, zonder bronnen geen onderzoek. Gelukkig zijn er in het verleden in Nederland al veel verhalen verzameld en gaan wij er ook heden ten dage mee door, zodat de volksverhalen ook voor latere generaties behouden blijven. In het verleden geschiedde de documentatie vooral op papier. Tegenwoordig worden er ook geluids- en video-opnames gemaakt. Om de verhaalcollectie op een moderne manier te documenteren, is er bij het DOC Volksverhaal van het Meertens Instituut een Nederlandse Volksverhalenbank online, waarin de verhalen op allerlei manieren ontsloten zijn en opvraagbaar zijn gemaakt. De Volksverhalenbank vormt daarmee een moderne vorm van documentatie, maar is tegelijkertijd een zoek- en onderzoeksinstrument, dat gebruikt kan worden door wetenschappers, journalisten, verhalenvertellers, scholieren en andere belangstellenden.
 
Waarom onderzoek naar volksverhalen?
Naast verzamelen en documenteren is het ook van belang om onderzoek te verrichten naar volksverhalen. Men kan volksverhalen bestuderen op nationaal en internationaal niveau, op regionaal niveau, in een multiculturele gemeenschap, maar men kan ook kijken naar het verhaalrepertoire van één verteller. Verhalen en vertellen maken steeds deel uit van de cultuur van het dagelijkse leven. Volksverhalen hebben ook altijd een betekenis (want anders zijn ze de moeite van het vertellen niet waard). Die verhaalbetekenis ligt echter niet vast, maar is veranderlijk. Kern van volksverhalen en vertelcultuur is, dat er altijd dynamiek in zit. Als tijden of omstandigheden veranderen, dan passen de verhalen zich aan. In menig opzicht kunnen volksverhalen een weerspiegeling zijn van de tijd, de mores, of de persoonlijke opvattingen van een verteller. Het is derhalve van belang om volksverhalen en de vertelcultuur te bestuderen: enerzijds omdat we met een (elementaire) kunstvorm te maken hebben, anderzijds om te kunnen vaststellen hoe verhalen betekenissen toekennen aan maatschappelijke ontwikkelingen, of hoe verhalen worden ingezet om de identiteit van een groep of een persoon te profileren. Volksverhalen hebben, kortom, een artistieke en sociaal-culturele relevantie, en daarom moeten ze in heden en verleden, in al hun dynamiek, bestudeerd worden.
 
Wat is een sprookje?

Een sprookje is een traditioneel volksverhaal dat speelt op een onbepaalde plaats in een onbepaalde tijd en opent daarom vaak met de woorden "Er was eens..." Niet zelden keren we terug naar een onbestemd feodaal verleden. In het begin van het verhaal wordt de held (regelmatig de jongste van een drietal, die als de domste wordt beschouwd) voor een probleem gesteld dat opgelost moet worden. De held gaat op avontuur uit en zonder dat de held zich daar veel over verwondert wordt hij tegengewerkt door kwade wezens, maar evengoed ook geholpen door goede mensen en dierhelpers. De held slaagt er in, mede dankzij zijn moed, wijsheid, eerlijkheid, goedheid of geluk, om het avontuur tot een goed einde te brengen. Het sprookje eindigt in de regel optimistisch (i.t.t. de sage), en vandaar de slotformule: "En ze leefden nog lang en gelukkig". In veel gevallen is de uitkomst dat de held trouwt met de prinses of dat de heldin in het huwelijk treedt met de uitverkoren prins. Deze sprookjes worden ook wel bruidverwervingssprookjes genoemd. In andere sprookjes gebeurt het wel dat de held rijkdom vergaart of een grote sociale promotie maakt (bijv. gepromoveerd tot opperbevelhebber). Veel sprookjes tonen jonge helden en heldinnen die zich losmaken van hun ouders en aan een zelfstandig leven in de wereld beginnen (uitzondering hierop vormen de kindersprookjes waarin kleine kinderen de hoofdrol spelen, zoals Roodkapje en Hans en Grietje). Het sprookje wordt doorgaans verteld als fictie, en het genre verwoordt bepaalde wensdromen. Bekende sprookjes zijn onder andere: Aladdin, Ali Baba en de Veertig Rovers, Assepoester, Belle en het Beest, Blauwbaard, de Bremer Stadsmuzikanten, de Dappere Kleermaker, Doornroosje, Grote Klaas en Kleine Klaas, de Kikkerkoning, de Nieuwe Kleren van de Keizer, Piggelmee, Raponsje, Repelsteeltje, Sneeuwwitje, Vrouw Holle en Zwaan Kleef Aan.

 
Bestaan er verschillende soorten sprookjes?

Ja, zoals we hierboven al zagen, worden er ook wel kindersprookjes onderscheiden: dat zijn sprookjes bestemd voor kinderen waarin kinderen ook de hoofdrol spelen. Voorbeelden zijn Roodkapje, Klein Duimpje en de Reus, Hans en Grietje en Janman in het Papieren Huisje.

Er wordt ook wel een onderscheid gemaakt tussen volkssprookjes en kunstsprookjes: daarover wordt nader ingegaan in de navolgende FAQ.

Volksverhaalonderzoekers onderscheiden voorts nog de volgende soorten sprookjes:

1. Diersprookje (of fabel): hierin spelen dieren de hoofdrol. Voorbeeld: De Wolf en de Zeven Geitjes.

2. Toversprookje (of wondersprookje): dit is de eigenlijke kern aan sprookjes die we nog steeds het beste kennen. In dit avonturensprookje komen we allerlei magische of wonderbaarlijke elementen tegen: een meisje komt weer levend uit de buik van een wolf, een prins verandert in een kikker, en een prinses slaapt honderd jaar in een betoverd kasteel en wordt wakker gekust door haar uitverkoren prins. Een toversprookje waarin veel wonderlijke elementen verwerkt kunnen worden is de Magische Vlucht.

3. Religieuze sprookjes: sprookjes met een christelijke moraal. In dit soort sprookjes komen bijvoorbeeld Jezus en Petrus voor die de mensen belonen, of God die iemand straft. Bijvoorbeeld het Mannetje in de Maan, die door God werd gestraft omdat hij op zondag hout ging sprokkelen. Ook engelen en duivels kunnen een rol spelen in deze sprookjes.

4. Realistische sprookjes (of novellesprookjes): deze sprookjes lijken in veel opzichten op de toversprookjes, maar het element van magie of wonder ontbreekt. Het zijn dus vooral verhalen over avonturen, slimme listen en problematische relaties. Voorbeeld: Koning Lijsterbaard.

5. Sprookjes over de domme reus of duivel: het betreft hier vertellingen over mensen die geconfronteerd worden met niet al te slimme reuzen, menseneters en/of duivels (de personages zijn regelmatig uitwisselbaar). Door allerlei truukjes zijn de mensen hun sterke maar domme tegenstanders te slim af. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van de Stenen Uilenborden, waarin men de duivel te slim af is.

6. Humoristische sprookjes (in het Duits wel Schwankmärchen geheten): dit zijn de wat langer uitgesponnen, kluchtige vertellingen, die in het verleden ook wel boerde of klucht werden genoemd. Het zijn de voorlopers van de moderne, kortere moppen. Voorbeeld: Het Dappere Kleermakertje. Een apart genre binnen de humoristische sprookjes zijn weer de leugensprookjes, zoals Luilekkerland, het Grote Schip van Sinternuit en de verhalen à la de baron van Münchhausen.

7. Kettingsprookjes: vertellingen over een reeks samenhangende gebeurtenissen (de kat bijt de muis, de muis knaagt het touw, het touw vangt de os, de os drinkt het water, het water blust het vuur, het vuur brandt de stok, de stok slaat de hond, en de hond bijt het varkentje). Voorbeeld: het Oude Vrouwtje en haar Varken.

8. Schriksprookjes (in het Engels wel Catch Tales geheten): een spannend verhaal waarbij aan het slot, onverwachts, iemand uit het publiek wordt vastgepakt en aan het schrikken gemaakt. Voorbeeld: het Gouden Armpje.

 
Wat is het verschil tussen een volkssprookje en een kunstsprookje?

Een volkssprookje is - vaak in de loop der eeuwen - ontstaan en gegroeid in de mondelinge overlevering. Een kunstsprookje is door een schrijver - bij wijze van spreken in één keer - achter zijn bureau verzonnen en opgeschreven. Hans Christian Andersen heeft voornamelijk kunstsprookjes geschreven: ze komen doorgaans niet uit de mondelinge traditie. Voorbeelden: Het Lelijke Jonge Eendje, het Meisje met de Zwavelstokjes, de Kleine Zeemeermin. In het verleden is er door volkskundigen weinig onderzoek gedaan naar kunstsprookjes, omdat ze meer tot de letterkunde behoorden dan tot de mondelinge traditie.

Nu kan men het strenge onderscheid wel wat relativeren. In bepaalde gevallen blijken volkssprookjes toch een schriftelijke oorsprong te hebben (zoals de Dans in de Doornstruik), en het is in elk geval niet zo, dat ze louter in de mondelinge overlevering hebben gecirculeerd. Ook later opgetekende en literair bewerkte versies van sprookjes (zoals door Charles Perrault en door de gebroeders Grimm) zijn een schakel in de transmissie geweest en hebben de sprookjes levend gehouden.

Ook al zijn de meeste sprookjes van Andersen dan kunstsprookjes, dat wil niet zeggen dat ze nu niet in de mondelinge overlevering voorkomen. Velen kunnen zijn sprookjes navertellen dankzij het sprookjesboek of de tekenfilmversie van Walt Disney.

 
Hoe oud zijn sprookjes?
Dat is moeilijk te zeggen, want dat verschilt per sprookje. De fantasie van volop eten en drinken in Luilekkerland bestaat sinds de late middeleeuwen (15e eeuw). Het peperkoekhuisje uit het sprookje van Hans en Grietje herinnert er ook aan, maar het sprookje zelf treffen we pas in het begin van de 19e eeuw voor het eerst aan en is waarschijnlijk niet veel ouder. Het sprookje van de Drakendoder is daarentegen weer vele eeuwen oud, en wordt al teruggevonden in de klassieke oudheid (het verhaal van Perseus).
 
Waar komen sprookjes vandaan?

Ook dat is moeilijk te zeggen: ze kunnen in feite overal vandaan komen. Wel kunnen we met zekerheid stellen dat het sprookje een Euraziatisch fenomeen is, dus van IJsland en Ierland tot aan Japan, met inbegrip van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Sprookjes die elders zijn gevonden, zijn door kolonisten meegebracht. Indianen, Aborigines en Maori kennen geen sprookjes van zichzelf, in de zin van vertellingen over een feodaal verleden met koningen en prinsessen: ze kennen wel andere soorten volksverhalen zoals mythen, sagen en fabels. Het sprookje van de Drakendoder komt waarschijnlijk oorspronkelijk uit het Midden-Oosten, en dat geldt ook voor veel verhalen uit Duizend-en-een Nacht. Repelsteeltje is een Europees sprookje. Assepoester zou wel eens van oorsprong een Aziatisch sprookje kunnen zijn - althans de oudste versies komen uit China en Vietnam.

 
Wat is een typisch Nederlands sprookje?

Sprookjes zijn - net als alle andere soorten volksverhalen - in principe internationaal vertelgoed: ze trekken zich van politieke of taalgrenzen niets aan. Dit betekent dat de meeste sprookjes internationaal zijn. Het komt eigenlijk niet voor dat een sprookje alleen in Nederland bekend is en daarbuiten niet. Kortom, een typisch Nederlands sprookje bestaat niet. Toch is er een volksverhaal dat in elk geval zijn kerngebied in Nederland schijnt te hebben gehad en dat is het sprookje van de Appelvangproef. Het verhaal is tegenwoordig niet zo heel erg bekend meer, maar de crux van het verhaal is dat een toegeworpen appel verraadt of iemand een man of een vrouw is. Mannen vangen een appel door de knieën naar elkaar toe de brengen, vrouwen door de benen te spreiden (als ze een lange rok aan hebben). Door deze proef wordt een als vrouw verklede rover ontmaskerd.

Hoewel typische Nederlandse sprookjes niet bestaan, blijkt uit een sprookjesenquete van het DOC Volksverhaal en de Efteling uit 2008 dat de volgende sprookjes als 'typisch Nederlands' worden gezien door de Nederlanders:

 1 Roodkapje
 2 Hans en Grietje
 3 Sneeuwwitje
 4 Kleinduimpje
 5 Assepoester

 

 
Wat zijn in Nederland nu de meest favoriete sprookjes?

Er zijn de afgelopen jaren wat onderzoekjes geweest, die wel enige variatie vertonen, maar de Top 5 laat tegelijkertijd zien dat Sneeuwwitje, Roodkapje, Assepoester en Doornroosje toch wel favoriet zijn.

 

 

Inter/View 1999

Internet-enquete 2000 Enquete Verteldag 2004 Sprookjesenquete Efteling/DOC Volksverhaal 2008
1 Sneeuwwitje Assepoester Roodkapje Sneeuwwitje
2 Assepoester Doornroosje Assepoester Assepoester
3 Roodkapje Hans en Grietje Doornroosje Doornroosje
4 Doornroosje Roodkapje Vrouw Holle Roodkapje
5 Hans en Grietje De Gelaarsde Kat Anansi Hans en Grietje


Het meest verrassende is eigenlijk, dat in 2004 plotseling de Surinaams-Antilliaanse (Creoolse) vertellingen over Anansi de spin hun entree maken.

Uit een sprookjesenquete van het DOC Volksverhaal en de Efteling in 2008 blijkt dat Sneeuwwitje het favoriete sprookje is (van ouderen). Kinderen geven de voorkeur aan Assepoester, gevolgd door Sneeuwwitje, Roodkapje, Doornroosje en Hans en Grietje. Anansi de spin staat op de vijfde plaats in de categorie 'naamsbekendheid overige sprookjes', gevolgd door Nasreddin Hodja. Reinaart de Vos en Tijl Uilenspiegel staan in deze categorie op de eerste en respectievelijk tweede plaats.

 
Hoe staat het met de verhaalkennis van autochtonen en allochtonen?
Eind 1998 heeft een team van taalkundigen en volkskundigen een enquête gehouden in de Utrechtse multiculturele wijken Lombok en Transvaal. De enquête behelsde een Taal- en Cultuurpeiling en is gehouden als een a-selecte steekproef onder 10% van de 3000 huishoudens in Lombok en Transvaal. Aan die 300 huishoudens is onder meer gevraagd naar de bekendheid met een aantal verhaalfiguren, namelijk Aicha-Kandisha (een Marokkaanse heksenfiguur), Anansi (de spin), Klein Duimpje, Nasreddin Hodja (een Turkse geestelijke met Uilenspiegel-achtige trekjes) en Hans en Grietje. Eén van de uitkomsten was, dat onder autochtonen Hans en Grietje en Klein Duimpje overbekend zijn: respectievelijk 99 en 100% van de autochtonen kent ze. En onder de allochtonen valt het ook niet tegen: respectievelijk 74 en 72% kent deze sprookjesfiguren. De jonge allochtonen scoren nog beter. In de leeftijdscategorie van acht tot en met twintig jaar kent zelfs 95% van hen Klein Duimpje en Hans en Grietje. In het multi-culturele Lombok kent voorts 23% van de allochtonen de spin Anansi, terwijl zelfs 31% van de autochtonen Anansi kent. Aicha-Kandisha is eigenlijk alleen bekend bij de Marokkanen (89%), terwijl Nasreddin Hodja bij 100% van de Turken bekend is. Autochtonen komen bij deze verhaalfiguren niet verder dan 4%. Anansi is bekend bij tweederde van de Surinamers, en bij een kwart tot een derde van de Turken, de Marokkanen en de Nederlanders. Voorzover men de resultaten zou mogen veralgemeniseren, onderkennen we de volgende tendensen: allochtonen zijn beter op de hoogte van autochtone sprookjesfiguren dan andersom, en met name de jonge allochtonen zijn heel behoorlijk op de hoogte. Anansi neemt qua bekendheid een opvallende tussenpositie in.
 
Wat is een mythe?
Een mythe is een voor-christelijk volksverhaal waarin (heidense) goden een rol spelen. De bekendste mythen zijn die van de Grieken en de Romeinen. De Germanen moeten eveneens een mythologie hebben gekend met goden als Wodan, Donar en Frija, maar de kennis van die mythologie is gebaseerd op Scandinavische verhalen en op 19e-eeuwse reconstructies. Echte Nederlandse mythen bestaan niet: daar is helemaal niets van overgeleverd.
 
Wat is een sage?
Een sage is een traditioneel volksverhaal dat zich afspeelt op een bekende plaats en op een bekend moment in de tijd (i.t.t. het sprookje). De sage is doorgaans een kortere vertelling dan een sprookje, en een sage behandelt een bepaalde vorm van volksgeloof (vroeger sprak men denigrerend over bijgeloof). Sagen bevatten veel angstaanjagende, bovennatuurlijke elementen en vertellen bijvoorbeeld over hekserij, toverij, spokerij, weerwolverij, over reuzen, kabouters, nachtmerries (het wezen, niet de droom!), Witte Wieven, duivels en dergelijke. Sagen kunnen ook vertellen over moedige en sterke helden, over geduchte rovers, onderaardse gangen, verborgen schatten en bodemloze putten. In principe werden de sagen vroeger als waarheid verteld: voor vertellers en publiek werden ze ervaren als non-fictie. Sagen hebben (i.t.t. het sprookje) veelvuldig een pessimistische toonzetting. Voorbeelden van sagen zijn de vertellingen over de Vliegende Hollander, de Bokkenrijders en over Ellert en Brammert. Er onstaan nog steeds sagen, maar die worden dan vaak aangeduid als moderne of hedendaagse sagen, in Nederland beter bekend als broodjeaapverhalen (zie hierna onder de FAQ's). Sommige traditionele sagen zijn zelfs 'geëvolueerd' tot moderne sagen.
 
Hoe oud zijn sagen?

Voor sagen geldt in feite hetzelfde als voor sprookjes. Sommige sagen kunnen teruggaan tot de Germaanse cultuur terwijl bepaalde historische sagen bijvoorbeeld niet verder teruggaan dan de Opstand (Tachtigjarige Oorlog) of de Napoleontische tijd. Welbeschouwd zijn we over het Germaanse volksgeloof - althans voor wat betreft de Nederlandse situatie - bijster slecht geïnformeerd. De Germanen hebben zelf nauwelijks iets op schrift achtergelaten. De kennis die we hebben over de Germanen is voornamelijk afkomstig van hun vijanden, de Romeinen, en vijandschap levert zelden objectief betrouwbare bronnen op. Eigenlijk moeten we wachten tot de middeleeuwen vooraleer we beter geïnformeerd worden over het geloofsleven en de sagen hier te lande. De middeleeuwer was bekend met alven (vgl. elfen), zeemeerminnen en kobolden (vgl. kabouters), er zijn tover-recepten overgeleverd en men wist wat heksen waren. Het traditionele heksen(waan)beeld - heksen kunnen vliegen dankzij heksenzalf en hebben sexuele omgang met de duivel - zoals dat nog eeuwen zou doorwerken, is overigens pas aan het eind van de middeleeuwen geconstrueerd en wel in de Heksenhamer (1486) van Heinrich Kramer en Jacob Sprenger. Het geloof van de gewone middeleeuwer in lucht-, water- en aardwezens werd overigens krachtig bestreden door de katholieke kerk: de wezens werden gedemoniseerd en derhalve tot duivels en demonen verklaard. Ook in de orthodox-christelijke kerken gebeurt dit heden ten dage nog steeds.

 
Wat is een typisch Nederlandse sage?

Evengoed als er nauwelijks typisch Nederlandse sprookjes zijn, zijn er ook bijna geen typisch Nederlandse sagen; ook hier betreft het immers een internationaal genre. De sage van de Vliegende Hollander wordt wel gezien als een typisch Nederlandse sage, maar het verhaal is in Engeland verzonnen, en verhalen over spookschepen bestaan over de hele wereld. Ook de sage van het Vrouwtje van Stavoren lijkt erg Nederlands, maar het motief van de ring die wordt teruggevonden in een vis stamt al uit de klassieke oudheid. Het verhaal van Hans Brinker is al helemaal geen Nederlandse sage: de vertelling is verzonnen door de Amerikaanse schrijfster Mary Mapes Dodge en gepubliceerd in haar boek Hans Brinker or the Silver Skates (1865). Vóór de publicatie had nog nooit een Nederlander ooit gehoord van een jongetje dat zijn vinger in de dijk stak. Na de publicatie is het verhaal langzaam maar zeker de oceaan overgestoken, en inmiddels kunnen de meeste Nederlanders zich wel iets voorstellen bij het verhaal van Hans Brinker (al kent lang niet iedereen zijn naam).

 
Wat is een legende?
Een legende is een traditioneel christelijk (met name katholiek) volksverhaal, waarin een centrale rol is weggelegd voor een heilige of een heilig voorwerp.  De verhalen kunnen dus bijvoorbeeld gaan over Bonifatius, Sint Servaas, Sint Nicolaas of Lidwina van Schiedam. Ook (moderne) wonderlijke verhalen over (bloed) huilende Mariabeelden of over hosties of bijbels die niet kunnen verbranden behoren tot de legenden.
 
Hoe oud zijn legenden?
Legenden werden in Nederland pas verteld na de kerstening, dus vanaf de middeleeuwen. De schriftelijke vastlegging van heiligenlegenden in de volkstaal van de Nederlanden (en dus niet in het Latijn) dateert vanaf de 12e eeuw. De oudste verzameling legenden die is opgetekend in het Middelnederlands gaat over de wonderen die Sint Servaas verrichtte tijdens zijn leven en na zijn dood.
 
Waarom is een mop ook een volksverhaal?
Moppen zijn korte verhaaltjes die bij uitstek in de mondelinge overlevering circuleren, en om die reden zijn het ook volksverhalen. Het woord 'mop' voor dit genre volksverhalen bestaat sinds de tweede helft van de 19e eeuw en betekent 'kort grappig stukje'. Het fenomeen is al wel ouder: in de 17e eeuw tekende advocaat Aernout van Overbeke al moppen op die hij in de dagelijkse conversatie hoorde. Grappige vertellingen werden vroeger echter 'boerden', 'kluchten' en 'uien' genoemd. De voorlopers van de huidige korte moppen waren regelmatig wat verder uitgesponnen kluchtige verhaaltjes. Ze worden in het Duits wel 'Schwankmärchen' genoemd. In zulke verhaaltjes konden meerdere grappige momenten zitten, en ze hoefden het - i.t.t. tegenwoordig - niet per se te hebben van een krachtige punchline of clou. De oudste Nederlandstalige grappige verhalen stammen uit de middeleeuwen; vanaf de late middeleeuwen werden ze gebundeld in zogenaamde kluchtboekjes. De moderne moppen zijn meestal kort en het lachmoment zit aan het eind. Moppen kunnen zich tegenwoordig ook voordoen in de vorm van een raadsel.
 
Wat is een kwispel?

Een kwispel is een soort raadsel, meer in het bijzonder een raadselspel, waarbij iemand de afloop van een verhaal in één korte en mysterieuze zin opgeeft, waarna de andere deelnemers moeten raden wat er gebeurd is. Er mogen alleen vragen gesteld worden waarop met ja of nee geantwoord mag worden. Het is dus aan de raders om de plot van het verhaal te ontdekken. Anders dan bij gewone raadsels heeft de kwispel een retrospectief karakter ("Wat is er gebeurd?"). De opgave kan bijvoorbeeld zijn: er ligt een man dood in een telefooncel. De oplossing is: een man heeft een enorme vis gevangen. Onderweg stopt hij bij een telefooncel om een vriend te vertellen van zijn vangst. In zijn enthousiasme om uit te beelden hoe groot de vis is, slaat de man met beide armen door de ruiten van de telefooncel; hij loopt slagaderlijke bloedingen op en sterft. De kwispel - het woord is kennelijk een samentrekking van kwis en spel - is een relatief jong verhaalgenre, waarschijnlijk ontstaan in de tweede helft van de 20e eeuw. 

 
Wat is een broodjeaapverhaal?

De moderne sage of stadssage (urban legend) staat in Nederland het best bekend als broodjeaapverhaal, genoemd naar het boek dat Ethel Portnoy schreef over dit genre in 1978. Broodjeaapverhalen zijn in feite de opvolgers van de traditionele sagen. Spreekt uit de oude sagen de latente angst voor het bovennatuurlijke, zoals duivels, spoken, heksen en witte wieven, in de hedendaagse sagen is dat gewijzigd in aardse angsten voor rampen, bizarre ongelukken, criminaliteit, moderne technologie en sociale pijnlijkheden. Moderne sagen worden ook regelmatig verteld om even te kunnen griezelen. Broodjeaapverhalen zijn over het algemeen even kort als sagen, en de inhoud is over het algemeen spannend en griezelig. Het verhaalde zou vaak "een vriend van een vriend" werkelijk overkomen zijn, en zowel verteller als luisteraar nemen het verhaal vaak voor waar aan. Het broodjeaapverhaal is echter niet waargebeurd, al bevat ongeveer tien procent ergens wel een kern van waarheid. Broodjeaapverhalen worden geacht vooral te circuleren onder jonge stadsbewoners, maar ook onder ouderen op het platteland zijn de verhalen bekend. Voorbeelden van broodjeaapverhalen zijn het Hondje in de Magnetron, de Gestolen Nier, de Fatale Ontgroening, het Wandelende Dekbed, de Hond die bij de Chinees als Gerecht Werd Opgediend, de Kikvorsman in het Verbrande Bos, de Sperma in de Knoflooksaus en de Gedeelde Soep. Er bestaan ook meer komische broodjeaapverhalen, zoals de vertellingen over de Zwervende Tuinkabouters en het Kunstgebit aan de Hengel/in de Kabeljauw, maar deze vormen vooralsnog een minderheid.

 
Zijn broodjeaapverhalen een modern fenomeen?
In broodjeaapverhalen zitten vaak 'moderne' fenomenen verwerkt zoals auto's, snelwegen, vliegtuigen, creditcards, computervirussen, magnetrons, fast food restaurants, mobiele telefoons en AIDS. In veel gevallen leveren de verhalen ook commentaar op de huidige tijdgeest. Maar het is een misverstand dat broodjeaapverhalen altijd modern zijn. Het verhaal over de misdadige lifter in travestie bestond ook al in de tijd dat er nog met paard-en-wagen werd rondgereden. De vertelling over de man die zijn baby onder het bloed aantreft en zijn hond (met bebloede bek) doodslaat, om vervolgens te ontdekken dat de hond de baby tegen een rat of een slang heeft verdedigd, is in West-Europa al bekend sinds de middeleeuwen.
 
Wat is een typisch Nederlands Broodje Aap-verhaal?
Broodjeaapverhalen zijn wederom - net als alle andere volksverhalen - een internationaal genre. We komen dezelfde moderne sagen over de gehele wereld tegen. Niettemin wordt wel verondersteld dat een tweetal verhalen uit Nederland afkomstig zijn. Ten eerste is daar het verhaal van het Wandelende Dekbed (dat uiteindelijk vol maden blijkt te zitten). Ten tweede is er het verhaal van de hond die een kind had doodgebeten, waarna de baas zijn woede koelt op de hond. Bij sectie blijken er echter 17 nietjes in het oor van de hond te hebben gezeten.